Smaakstof uit bacterie of van arme boer uit Madagascar

Nu de eerste plantaardige smaakstoffen, enzymen en medicijnen uit bioreactoren op de markt komen, wordt het tijd om na te denken over de sociaal-economische effecten ervan. In een longread  voor het Rathenau-instituut, beschrijf ik hoe partijen zich nu organiseren in VN-commissies om een veilige synthetische biologie te stimuleren, mét een stem voor boeren in het Zuiden.

Zomeralsum
Afgelopen twee jaar hebben synthetisch biologische bedrijven de eerste plantaardige smaakstoffen en medicijnen uit bacteriën en gisten op de markt gebracht. Hieronder vanille, de zoetstof stevia en het malariamedicijn artemisine. Daarvoor kwam stevia alleen nog uit de steviaplant, van boeren in Kenya en China. Vanille kwam alleen nog uit de vanilleplant van boeren in Madagascar en ook artemisine kwam van boeren uit Madagascar. Toen dit artemisine uit gentech-bacteriën op de markt kwam daalde de prijs, waardoor sommige boeren minder kregen voor hun zomeralsum, waar artemisine uit wordt gehaald.

Fermentoren van grote bedrijven
Is het dus wel verstandig om plantaardige producten uit bioreactoren te laten komen, in plaats van hiervoor arme boeren in te schakelen? Dat was een van de vragen tijdens het symposium Synthetic biology, visions of the future
op vrijdag 24 juni, op basis waarvan we voor het Rathenau de longread schreven. Het symposium was onderdeel van het EU-programma Synenergene, dat zich buigt over verantwoordelijk onderzoek en innovatie (RRI) in de synthetische biologie. Wetenschappers van allerlei disciplines, beleidsmakers en kunstenaars kwamen in het NEMO in Amsterdam bij elkaar over de consequenties van synthetische biologie na te denken.

Gentechnieken en software
Lijmstoffen, bestrijdingsmiddelen, sneller groeiende planten, malariamuggen die geen parasieten meer dragen. Er zijn vele producten die synthetisch biologen nu maken met hulp van verbeterde gentechnieken, snelle software en robotica. En er komen snel nieuwe producten bij, omdat het analyseren en synthetiseren van DNA zo goedkoop is geworden. Idealiter zou dan het begrip van wat technisch mogelijk is, gelijk moeten opgaan met begrip over hoe de nieuwe producten kunnen worden gereguleerd en ingebed in de maatschappij. Maar tussen wat technisch kan, en wat bekend is over de risico’s en sociale gevolgen, is nu bij een aantal producten een kloof.

Meenemen van de gemarginaliseerde groepen
Twee VN-commissies zijn er opgezet. Vorig jaar is een Technical Facilitation Mechanism opgezet om de sociaal-economische gevolgen van synthetische biologie in kaart te brengen, zoals die voor de boeren in het Zuiden. Die commissie heeft tien leden, afkomstig uit bedrijfsleven, politiek, beleid en NGO’s. Een tweede commissie is opgezet binnen de Convention on Biological Diversity (CBD), waar internationale verdragen worden gesloten rond biodiversiteit. Hierin bekijken de partijen hoe de productie van nieuwe smaakstoffen of enzymen door micro-organismen veiliger kan worden gemaakt. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat bijvoorbeeld medicijnproducerende schimmels zich ongewenst gaan vermeerderen, of in handen komen van terreurorganisaties.

Verantwoordelijke onderzoekers en bedrijven
Uiteraard zijn twee VN-commissies niet genoeg. Voor een ‘verantwoordelijke innovatie’ zijn ook verantwoordelijke onderzoekers nodig, zo bleek een paar keer tijdens het symposium. Onderzoekers die meer doen dan alleen het onderzoek zo goed mogelijk uitvoeren, zonder fraude te plegen. Synthetisch biologen moeten zich ook actief mengen in de discussie over de consequenties van hun techniek, vonden sommige deskundigen. Ze moeten zelf ook maatschappelijke vragen opwerpen.

Afrekenen op discussies
Probleem is wel dat onderzoekers hierop niet worden afgerekend. ‘Het wordt alleen maar moeilijker om er tijd in te steken, omdat we steeds nieuwe fondsen moeten binnenhalen’, stelde een onderzoeker. Maar die taak kan natuurlijk ook bij een team worden gelegd. Daarnaast zijn verantwoordelijke bedrijven nodig. En natuurlijk is het goed als deze discussies ook gestructureerd in parlementen, sciencecentra en op scholen worden gevoerd, wat ook moet leiden tot betere wetgeving.

Dat de twee VN-commissies de vrije markt kunnen sturen, zoals ze eigenlijk beogen, lijkt niet waarschijnlijk. Hun uitspraken zal voedingsbedrijven niet voor de arme boer in Kenya laten kiezen, als haar stevia duurder is dan die uit fermentoren van grote biotechnologiebedrijven. Maar deze commissies kunnen wel de bredere, lokale debatten in de wereld stimuleren. Wat uiteindelijk de kans vergroot dat er ook nog gelabelde ‘natuurlijke’ stevia van de arme boer in de schappen blijft liggen.

Lees het hele verhaal op de site van het Rathenau-Instituut

Lees ook meer over de veiligheid van synthetische biologie in mijn blog Geen wasmiddelenzymen meer in de natuur